Uw browser ondersteund geen javascript, zonder javascript is deze website niet te bekijken.
 
 

Rooien

Zeer vroege aardappels zijn in de regel 3 maanden na het poten, in juni‑juli, klaar om gerooid te worden. De bloemen staan dan geheel open. Knollen ter grootte van een kippeëi zijn goed. Geef kleinere knolletjes de kans nog wat door te groeien. Zeer vroege aardappels moeten snel na het rooien gegeten worden. Worden ze gedroogd dan zijn ze enkele dagen te bewaren.

Vroege aardappels kunnen van juli tot begin september gerooid worden en zo nodig bewaard. Latere rassen voor bewaring zijn pas in september of begin oktober rijp wanneer het loof is afgestorven.

Kies voor het rooien een droge dag uit. Kap het loof en gooi het weg of verbrand het. Steek de aardappelhak of riek op enige afstand van de plant in de grond, zodat deze in één beweging kan worden opgelicht. Wees voorzichtig en buts of beschadig de knollen niet (beschadigde aardappels kunnen niet bewaard worden). Raap alle aardappels op, hoe klein ook, daar de over het hoofd geziene knollen later de oorzaak van ziekten kunnen zijn. Laat de aardappels een paar uur drogen voor ze de opslag ingaan.